In Memoriam Petra van der Klis

.

Prof. Dr. G.C. van Niftrik: Waar zijn onze doden?
(Uitgeverij J.N.Voorhoeve-Den Haag 1970, 192p.)
 

Vele dierbaren  zijn inmiddels al 'uit de tijd'… en ook verwijderd uit de menselijke ruimte.

Onttrokken aan de ons bekende, wetenschappelijk benaderbare ruimte en tijd.

Maar toch ook weer niet...

Er is identiteit tussen mijn zijn hier en mijn zijn ginds. Identiteit is echter nog niet hetzelfde als continu´teit… Het hoort bij de mens om over het graf heen te hopen. De mens blijft er toch in alle eeuwigheid minstens als de er geweest zijnde… De dood is een gapende afgrond en de onoverbrugbaarheid verhevigt het verdriet van David over zijn gestorven zoon Absalom: “Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Och dat ik in uw plaats gestorven ware, Absalom, mijn zoon, mijn zoon.”

Onze hoop bij graf en dood is alleen en uitsluitend gevestigd op God. Het Nieuwe Testament verwacht niet een in een oneindige toekomst voortgaand en voortgaand leven, maar de vereeuwiging van dit ons eindigende leven. Het leven, dat geweest is wordt aangenomen door, opgenomen bij, vereeuwigd door God. Onze naam wordt vereeuwigd in God.

Door heel de Bijbel huivert de eerbied voor God: God als de Eeuwige, God als de Heilige. [Overal op aarde is “Ootmoed” het wezenskenmerk van religie.]

In de diepte des doods kan men alleen maar op de Heer hopen
(Psalm 130).

 

Waar zijn onze doden? Op deze vraag worden in het Bijbelse licht tien antwoorden gegeven.

 

Waar zijn onze doden?

1e antwoord) Ze zijn in het graf.

Een verschrikkelijke verblijfplaats. Geen schat van bloemen  maakt de verschrikking minder. Wij hadden een mens van vlees en bloed lief. Er is geen zonsondergang meer, en geen zonsopgang. Het is Stille Zaterdag. Onze doden zijn in God…

 

Waar zijn onze doden?

2e antwoord) Op het kerkhof.

Straks duurt het niet meer zo lang of men kent en vindt zijn standplaats zelfs niet meer. Ook de laatste rustplaats blijft niet. Maar er wordt gezaaid in vergankelijkheid en opgewekt in onvergankelijkheid.  Het kerkhof is een akker, een dodenakker, een typisch christelijk woord. Als er gezaaid wordt, verwacht men een oogst. Wie met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien (psalm 126).

De Ark des Verbonds, ook een kist; de doodkist volgt de gouden Ark met de engelen. Op weg naar Kanańn, het beloofde land…

 

Waar zijn onze doden?

3e antwoord) In de aarde.

Het ter-aarde-bestellen kan men ook zien als een terugkeer, “Stof zijt gij, en tot stof zult gij wederkeren.” [De mens bestaat uit sterrenstof.] De mens keert terug tot in de aardse moederschoot. Hier rust… Hier slaapt…

De dood  trekt de mens terug naar de aarde, de moederschoot, de nacht, de duisternis.  Er hangt een sfeer van melancholische berusting, van vrede, van slaap over onze kerkhoven. Eindeloos weemoedig.

En toch de mens wil naar boven, naar het licht, naar de Vader.  Van de aarde naar de hemel, van de nacht naar het licht, van de moeder naar de Vader. “Onze Vader die in de hemelen zijt…”

Ter aarde besteld met gevouwen handen: “Ik hef mijn ogen op tot U, die in den hemel zit, en bid…” “Laat mij slapend op U wachten…”

 

Waar zijn onze doden?

4e antwoord) In de hemel.

Onze namen staan in het boek des levens. Onze namen staan in de palm van Zijn Hand gegraveerd.

De hemel als ruimte, God is ook ruimte. God is liefde en liefde schept ruimte. Bij Hem is plaats voor wie Hem zoeken…

 

Waar zijn onze doden?

5e antwoord) Zij zijn met Christus.

Paulus verzucht: “Ik verlang heen te gaan en met Christus te zijn.
“Heden zult gij met mij in het paradijs zijn.”

 

Waar zijn onze doden?

6e antwoord) In het hart der werkelijkheid.

De echte werkelijkheid zoals die voor God is. Tijdens het aardse leven zien wij door een spiegel, in raadselen. Doch straks van aangezicht tot aangezicht.

In de eeuwigheid doorzien wij de werkelijkheid.

De werkelijkheid die achter de dingen, ontmoetingen, gebeurtenissen en personen werd vermoed…

 

Waar zijn onze doden?

7e antwoord) In het paradijs.

De toezegging van Jezus aan de met Hem gekruisigde: “Voorwaar, Ik zeg u, heden zult gij met Mij in het paradijs zijn”. Daar waar God zelf rondgaat als gastheer en huisvader. Voor de stervende Jezus is dus de zaligheid volstrekt zeker, onmiddellijk na Zijn dood. Het paradijs uit de oertijd wordt aan het einde van het leven terugverwacht…

 

Waar zijn onze doden?

8e antwoord) Voor het aangezicht Gods.

Zij gaan niet op mystieke wijze in God op, zoals een vonk in het vuur of een druppel in de oceaan. De gezaligde  ontvangt een nieuwe naam, verbonden met volledige heiliging en verheerlijking, waaruit volgt een onuitsprekelijke vreugde, die het bevatten van de mens zeer verre te boven gaat. De eeuwige sabbat vangt aan.

Verlustiging: “Hun blijdschap zal dan onbepaald door ’t licht, dat van Zijn Aanzicht straalt, ten hoogsten toppunt stijgen…

 

Waar zijn onze doden?

9e antwoord) Thuis!

Zij leven immers in Gods eeuwig nu!  Ondergedompeld in de vrede van God.

[“Als een mus die naar het nest terugkeert en alleen vrede, rust verlangt”.]

 Nu zijn de strijd en de spanning voorbij. Nu is zij/hij thuis. “Jeruzalem, dat ik bemin, wij treden uwe poorten in.” Abraham was een vreemdeling in het land der belofte. Hij woonde er in tenten. Hij heeft vele altaren gebouwd. Een vreemdeling op hope. Na een lange zwerftocht van ongeloof en twijfel, van onzekerheid en angst, komt de overledene “thuis”. Dat thuiskomen bij God is een inkeren tot het diepste geheim der werkelijkheid en alle verlangen is gestild…

 

Waar zijn onze doden?

10e antwoord) In de eeuwige vreugde.

Men doorleeft het geluk van het geborgen-zijn. Er is blijdschap in de hemel, blijdschap bij de engelen Gods. Verblijdt u in de Heer te allen tijd.

“Hun vreugde zal dan onbepaald, door ’t licht, dat van Zijn Aanschijn straalt, ten hoogsten toppunt stijgen.”

 

De verschrikkingen van dood en graf wijken voor de vreugde, de eeuwige vreugde in God.

Deze dood is... vervulling en voleinding.

Er is troost in alle gemis dat schrijnt, hoezeer wij onze geliefde doden ook missen, wij weten ze in de vreugde bij de Heer.

Wij zijn gescheiden en toch verbonden.

 

Prof. Dr. H. M. Kuitert: De grote scheiding. Dood en hiernamaals.

 

Sterven is derven: het bestaan loopt schipbreuk.

De grote Strandvonder vindt ons op tijd en bergt ons voor de eeuwigheid.

Sterven is erven: het geschenk bestaat in de vriendschap met de eeuwige God, in de continu´teit van het ik.

Vriendschap met de eeuwige God is eeuwige vriendschap.

Wie gestorven is in Gods vriendschap is voor de eeuwigheid geborgen.

 

Gerrit Achterberg:

God werd van hem  gemakkelijk de vinder
En dat gezelschap zal voor eeuwig zijn

Barmhartig is de Here en genadig en groot van goedertierenheid.

 

De laatste reis …

Ik weet niet hoe het zijn zal in die dagen,
wanneer ik scheepga voor de laatste reis;
Zal dan mijn schip de laatste storm verdragen
en landen aan Gods eeuwig paradijs ?

Want ik weet niet, hoe lang de tocht zal duren
en welke haven ik voorgoed verlaat.
Zal ik dan zwijgend in de verte turen,
en alles wat ik schreiend achterlaat.

Niet zachtjes langs de reling horen klagen ?
Of zal de wind hoog gillend in de mast,
alleen de stem van zorg en branding dragen,
waarin mijn ziel zich van zijn angst ontlast ?

Neem mij, Heer God, het roer dan maar uit handen
en laat mij zingend op de voorplecht staan !
Dan zal mijn schip niet op de rotsen stranden,
maar veilig in Uw haven binnengaan !

Jan Sleeboom
Schipperszoon, onderwijzer, tekenaar, schilder, dichter
1917-1963
.

PCOB Oostkapelle februari 2007
P.C. van der Klis

.

.

.

.